De mens tot wie ik jij zeg
Zoals een melodie niet is samengesteld uit tonen, een vers niet uit woorden, een zuil niet uit lijnen zo is het ook met de mens tot wie ik Jij zeg.
Ik kan de kleur van zijn haar of de kleur van zijn taal of de kleur van zijn goedheid uit hem halen, ik moet het telkens weer, maar dan is hij al niet meer Jij.
Zoals het gebed niet in de tijd is, maar de tijd in het gebed, het offer niet in de ruimte, maar de ruimte in het offer - wie die verhouding omkeert, heft de werkelijkheid op - zo ook tref ik de mens, tot wie ik Jij zeg, niet aan in een ooit of een ergens. Ik kan hem erin plaatsen, ik moet dat telkens weer, maar alleen nog als een Hij of een Zij, niet meer als mijn Jij.
...
Relatie kan bestaan, ook als de mens tot wie ik Jij zeg, het in zijn ervaring niet merkt. Want jij is meer dan Het weet. Jij doet meer en overkomt meer dan Het weet. Hier krijgt bedrog geen kans; hier staat de wieg van het werkelijke leven.
Met:
Schiftend en schuivend in mijn boekenkast, lever ik mijzelf de vragen en criteria voor mijn oerteksten: Hoe vaak heb ik de tekst gelezen? Kan de tekst ook ‘hedendaags’ zijn? Heeft de tekst vooral een persoonlijke werking? Op welke punt gaat een tekst over van citaat naar oertekst?
Enzoverder, tot ik besluit dat mijn boekenkast 6 oerteksten bezit, gevat in boekvorm. Ik stal ze uit op tafel en heb een aantal dagen naar ze gekeken, door hun pagina's gebladerd, en de herinneringen die met deze teksten verbonden zijn opgeduikeld.
Vanwege de hoeveelheid potlood in de marges en de verhouding van doordringbaarheid en ontglipbaarheid is mijn oertekst in het kader van Connecting Conversations ‘Ik en Jij’ van Martin Buber. Een tekst, die vooral poogt onder woorden te brengen wat nauwelijks of niet onder woorden gebracht kan worden op het moment dat een ander tegenover jou staat in een werkelijke ontmoeting. Een ontologie van de dialoog en de wereld. Flakkerende herinneringen aan dat ik even op zo’n manier ‘connected’ was met een ander. Een tekst die, waar ik hem ook opensla, altijd weer werkt als een landingsbaan: langs de woorden ben ik opgestegen, in de woorden vind ik dat 'onbenoembare waar het om gaat' om vervolgens te landen met het besef dat ik het versta. En de opluchting dat, ondanks mijn verstaan, het toch ongrijpbaar blijft.
Citaat uit: Buber, Ik en jij (Utrecht, Bijleveld).
Bijdragen
Reacties
Linda
Bart
Hans
Jurrian
Jakob
Martijn