Voetnoot II
Auteur: Rogier Brom
II Je hoop op ruimte vanuit de gemeente deed me denken aan een artikel dat de opening aankondigde van de DCR, Den Haags eerste officiële culturele broedplaats. Interessant aan deze aankondiging is dat het hier gaat om een ‘officiële’ broedplaats terwijl Den Haag op dat moment al meerdere initiatieven kende – en had gekend – waarbij kunstenaars door het bundelen van hun krachten meer van de grond probeerden te krijgen dan in hun eentje mogelijk was.
In hun tekst Balancing Act: twenty-one strategic dilemmas in cultural policy (1999) gaan François Matarasso en Charles Landry in op – de titel zegt het al – 21 valkuilen waarvoor opgepast moet worden bij het uitvoeren van cultuurbeleid. Een van deze dilemma’s beslaat de wisselwerking tussen cultuur als waarde op zich (self-justifying value) en cultuur als ontwikkelingswerk. De waarschuwing is daarbij de juiste balans te vinden tussen cultuur die bijdraagt aan een verhoogde kwaliteit van leven en cultuur die ingezet wordt om sociale en economische vitaliteit te stimuleren. Van die laatste wordt vaak gevreesd dat het de kwaliteit van de kunst aan zou kunnen tasten. Deze angst kwam ook in het artikel over de DCR naar voren. De gemeente Den Haag wilde jonge kunstenaars namelijk wel oprecht meer kansen geven om zichzelf beroepsmatig te ontwikkelen maar deze wens kwam voort uit een verlangen om de ontwikkeling van de stad een creatieve boost te geven.
Waarom dit in de context van Nieuwe Grond interessant is, komt door deze motivatie van de gemeente Den Haag om in de DCR te investeren. ‘Al heeft Den Haag diverse kunstopleidingen, zoals de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, de stad slaagde er nooit in om de kunstenaars na hun studie vast te houden’ (Van der Pol 2008). Een argument dat ik ook tijdens het weekend met de Nieuwe Gronders voorbij hoorde komen: het versterken van een culturele humuslaag om Utrecht aantrekkelijker te maken voor beginnende kunstenaars.
Matarasso en Landry opperen dat de culturele sector niet langer kan steunen op de veronderstelling van zijn eigen waarde. Voor deze waarde moet in de toekomst een vorm van toezicht gevonden worden. In het tegenwoordige cultuurbeleid zien we inderdaad terug dat het succes van cultuur meetbaar gemaakt dient te worden. Hier ligt een interessant gegeven waar het aankomt op initiatieven als de DCR en Nieuwe Grond. Hoe pas je een initiatief dat gericht is op het genereren van creativiteit in een systeem dat toezicht houdt op het resultaat? Om iets te kunnen meten moet je er grenzen aan stellen. Creativiteit is gericht op het opzoeken maar vooral ook doorbreken van grenzen. Hier ligt dus een uitdaging.
In het artikel over de DCR wordt de hoop uitgesproken dat de gemeente zich schikt in een faciliterende rol en niet verwacht dat de resultaten op het De Constant Rebecqueplein (DCR) als paddenstoelen uit de grond springen. Anderhalf jaar na de opening blijkt de broedplaats een plek waar instelling uit meerdere culturele disciplines activiteiten organiseren. Er groeit dus iets. Een goede les voor de gemeente Utrecht – en ook Vrede van Utrecht en het Walter Maas Huis – lijkt mij dan ook om Nieuwe Grond middelen en tijd te geven. Door dit te combineren met doelen die in hun bescheidenheid aansluiten bij redelijke verwachting in de groei van het initiatief, kan over een jaar of vijf een balans opgemaakt worden. Op een objectieve manier kan dan gekeken gaan worden naar het effect dat er heeft plaatsgevonden op de sociale en economische vitaliteit in de stad. Iedereen gelukkig.
Maar wat nu als dit effect marginaal of zelfs afwezig blijkt? Hoever vind jij dat de voorzieningen in Utrecht moeten gaan wanneer de as uit de vulkaan geen vruchtbare grond op zal leveren?
F. Matarasso en C. Landry, 1999. Balancing act: twenty-one strategic dilemmas in cultural policy. Straatsburg: Council of Europe.
B. van der Pol, 2008. ‘Kunstenaars gaan kleur geven aan de stad.’ In: NRC Handelsblad, 4 september 2008. Gezien op internet:
www.nrc.nl/kunst/article1972297.ece/Kunstenaars_gaan_kleur_geven_aan_de_stad
Met:
Bijdragen
Reacties (2)
Reacties (2)
Rogier
Jochem
Jochem Naafs: Reactie op Voetnoot ii
Je haalt in je voetnoot een interessante en met betrekking tot Nieuwe Grond ook zeker relevante discussie aan. Waarom wil de gemeente Utrecht een creatieve stad zijn? Wat is hiervan het (achterliggende) doel? Ik hoop dat kunst door de gemeente niet gezien wordt als direct nuttig. Zoals je Bourriaud citeert in je hoofdtekst, is kunst juist a priori nutteloos en bewijst het zijn nut indirect. Dat betekent dat kunst altijd een risicovolle investering is als je bepaalde verwachtingen hebt, maar volgens mij ook dat kunst altijd een succesvolle investering is als je openstaat voor een onverwachte uitkomst. Dit is ook precies waar een broedplaats als DCR en wat mij betreft ook Nieuwe Grond voor moet gaan.
DCR is het gebouw waar ook Danslab in huist, een initiatief voor choreografisch onderzoek en een platform voor de stem van de kunstenaar, zoals Danslab zichzelf beschrijft. Een van de voormalige choreografen van Danslab, Bruno Listopad, heeft voor zijn nieuwste voorstelling de samenwerking gezocht met beeldend kunstenaar Eric Schrijver, ook residerend in DCR (zie: www.disjointedarts.com/news). Het is een klein voorbeeld dat aangeeft dat er samenwerking tussen disciplines ontstaat. Juist doordat DCR een plaats is voor theater, dans, architectuur, vormgeving en beeldende kunst kan het gaan leven. DCR brengt disciplines bij elkaar en opent de deuren voor publiek. Maken en tonen van kunst komen op deze manier samen.
Bij het lezen van je voetnoot moest ik denken aan een dubbelinterview met Colin Benders (Kyteman) en zijn moeder in LEF. In dit interview beweert hij dat “Utrecht de meeste praktiserende kunstenaars per m2 heeft van heel Europa”. Mocht dit zo zijn dan ben ik erg benieuwd wat nu daadwerkelijk het probleem is in Utrecht. Blijkbaar is niet zozeer het aantal kunstenaars het probleem en zelfs niet het wegtrekken van kunstenaars, maar eerder de zichtbaarheid van deze kunstenaars. Op die manier komen we bij het nut en de vorm van een broedplaats in Utrecht, wat mij betreft.
Ik pleit er dan ook voor om met een broedplaats te proberen de voorspelling van Matarasso en Landry zoals jij die hier neerschrijft te voorkomen. Niet zozeer omdat kunst wél alleen kan steunen op de eigen waarde, maar eerder omdat een andere waarde niet voorspeld kan en zou moeten worden. Nieuwe Grond kan wel een rol spelen in de benoeming van Utrecht tot culturele hoofdstad van Europa, maar welke rol dat is kan niet, of pas achteraf worden vastgesteld. De vraag waarmee je afsluit kan en wil ik dan ook niet beantwoorden. Utrecht zou niet moeten investeren in een broedplaats als van te voren de resultaten wil kennen.
Nagels, Tessa. “Kyteman’s homerun”. LEF. Een magazine voor jongeren die leven met kanker, jr 10, nr 3. Nieuwegein: Vereniging Ouders, Kinderen en Kanker, 2009.
Rogier Brom: Reactie op reactie voetnoot ii
Het gegeven van kunst als iets ongrijpbaars dat totaal buiten een instrumentalistisch gebruik blijft – zoals jij dat lijkt te schetsen – is helaas even mooi als dat het naïef is. In de postindustriële wereld wordt in principe verwacht dat voor elke daad verantwoordelijkheid wordt genomen en dit betekent dat het nodig is om tegenover goederen en acties waarde te zetten. Natuurlijk ligt aan kunstuitingen een creatief proces ten grondslag en is daar moeilijk a priori een waarde aan te verbinden, maar zonder resultaat blijft kunst volgens mij ook leeg. Het is zoals je in de eerste alinea van de vorige voetnoot zegt: kunst kan een goede investering zijn als je openstaat voor een onverwachte uitkomst. De uitkomst is dus belangrijk en belang kan er niet zijn zonder waardeoordeel.
Het interessante is echter dat er niet één partij is die bepaald wat die waarde dan wel is. Zonder te veel in te gaan op het idee dat een iets binnen verschillende netwerken een sterk verschillende waarde en functie kan hebben, zie ik dit idee steeds vaker terug in een soort overkoepelende theoriën. In Empire (2000) en Multitude (2004) gaan Michael Hardt en Antonio Negri bijvoorbeeld in op het idee dat er een soort nieuwe wereldorde is waarbij de macht binnen dergelijke netwerken bestaat, waarmee oude landsgrenzen overschreden worden. Dit ietwat grote kader haal ik erbij om mogelijkheden te laten zien. Het laat namelijk in een notendop het belang van iets als Nieuwe Grond zien. Om grip te krijgen op de waarde van je eigen bezigheden, heb je een stevig netwerk nodig waarmee je positie in kan nemen.
Ik wil dus maar zeggen, waarde is helemaal zo erg niet. Als je er maar voor zorgt dat het een waarde is waarvan je zelf vindt dat die er toe doet. Dit kan je als groep bereiken. En daar komt volgens mij het probleem van zichtbaarheid dat je aanstipte de hoek om kijken. Want hoewel ik Kyteman niet meteen als betrouwbare bron zou willen aannemen, is het wel belangrijk dat de kunstenaars die er zijn elkaar kunnen vinden. Om sterk te staan als groep, moet je weten op hoeveel medestanders je kunt rekenen. En daarbij vraag ik me soms wel eens af het probleem van de culturele sector in Utrecht niet buiten die sector ligt. Met een bevolkingssamenstelling waarbij de hoeveelheid studenten eigenlijk buitensporig hoog is, ontwikkeld de stad zich met een heel eigen dynamiek. Even heel kort door de bocht zou je bijvoorbeeld door de hoeveelheid studenten die in de horeca werken kunnen zeggen dat de horeca een gebruiksfunctie krijgt. Je komt er om geld te verdienen of om bier te drinken. De gastvrijheid verdwijnt daarmee enigszins waardoor er ‘netto’ minder informele omgeving is waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en waar ideeën kunnen ontstaan. Dit kan ik natuurlijk niet hard maken, maar wat ik probeer te zeggen is dat bij het stimuleren van een creatieve humuslaag de verantwoordelijkheid voor het bereiken van verandering op een groter plan ligt. Dit kan niet alleen aan de kunst- en cultuursector worden uitbesteed, maar moet gemeentebreed nagestreefd worden.
Ik denk dat het vooral nodig is dat er initiatieven plaats gaan vinden die niet geïnstitutionaliseerd zijn, op plaatsen die daar niet speciaal voor bedoeld zijn. Zo wordt kunst veel meer een deel van de samenleving. Verschillende partijen krijgen zo de kans om samen te smelten in een nieuw netwerk. Dat lukt niet als die partijen hun eigen (lucht?)kastelen blijven verdedigen.
Hierdoor ontstaat misschien meer activiteit die niet te veel volgens agenda’s werkt en zo een stempel krijgt. De energie die deze activiteit opwekt bestaat dan volgens een dynamiek die een nieuw netwerk leven inblaast. Ik zou kunstenaars eigenlijk op willen roepen tot het voeren van een guerrillatactiek voor het vergroten van de zichtbaarheid van kunst in Utrecht.