Voetnoot I
Auteur: Jochem Naafs
I Je schrijft in je tekst dat er sprake is van een “dubbele agenda” tijdens het symposium Nieuwe Grond. Tijdens het symposium lijkt er inderdaad zowel bij de kunstenaars als bij het Walter Maas Huis en Vrede van Utrecht sprake van deze dubbele agenda. Ze hebben doelen voor zichzelf gesteld.
In zijn theorie over communicatief handelen onderscheidt Jürgen Habermas communicatief en doelrationeel handelen (Habermas 1981).I Communicatief handelen vooronderstelt een situatie zonder machtsverhoudingen, waarbij beide gesprekspartners zich waarachtig tegenover elkaar uiten en zich houden aan drie “geldigheidsaanspraken” (waarheid, juistheid, waarachtigheid) (Kunneman en Keulartz 1985).II Daarbij hebben ze het doel om een bepaalde mate van consensus te bereiken. Strategisch handelen (een vorm van doelrationeel handelen volgens Habermas) wil zeggen dat je de optimale keuze maakt om je eigen doel te bereiken. Dit is een vorm van handelen waarbij één persoon centraal staat en de handeling staat in dienst van de behoeftes van die persoon.
Wat ik interessant vind in de aanpak van Nieuwe Grond is dat de organisatie rekening houdt met het strategisch handelen van personen. De dubbele agenda lijkt inderdaad een strategie van het Walter Maas Huis en Vrede van Utrecht zoals je stelt. Het symposium omarmt een combinatie van communicatief en strategisch handelen om zo met de kunstenaars Utrecht op de culturele kaart te zetten voor 2013 en 2018. Het symposium zet de strategisch motieven van kunstenaars in om op die manier het doel van het symposium na te streven. Tegelijkertijd draait het tijdens het weekend ook om ontmoeting, kennismaking en uitwisseling.
Ik vraag me af wat het effect is van deze dubbele agenda. Kunnen we er vanuit gaan dat de kunstenaars, naast het volgen van hun strategie ook op zoek gaan naar consensus? Ik heb ervaren dat veel van de deelnemende kunstenaars en de organisatie zelf open stonden voor kritiek en onderhandeling om op die manier een bepaalde mate van begrip én overeenstemming te bereiken. Had jij deze ervaring ook? Op die manier is Nieuwe Grond (en daarmee bedoel ik nu de organisatie én de deelnemende kunstenaars) niet alleen resultaatgericht, zoals dat soms leek tijdens het weekend, maar richt het zich wel degelijk op communicatief handelen.
Nieuwe Grond schotelt geen vaststaande organisatiestructuur (een systeem volgens Habermas) voor, maar het opent de mogelijkheid tot dialoog. Misschien ben ik te positief ingesteld als ik zeg dat als dit zich door zou zetten er daadwerkelijk iets kan veranderen? Helaas blijkt nu, een maand later, dat de inzet van de kunstenaars afneemt. Er zijn slechts enkele kleine interventies gedaan en de website is nog nauwelijks gebruikt. Ik blijf helaas met enkele vragen zitten.
Hoe behoud je een publieke sfeer voor de dialoog tussen kunstenaars?
Komt dialoog voort uit mensen zelf of moet je ze eerst een plek, een koffiehuis, geven waar ze deze dialoog kunnen, durven en willen voeren?
I Habermas, J. Theorie des kommunikativen Handelns. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 1981.
II Kunneman, H. en J. Keulartz. Rondom Habermas, analyses en kritieken. Meppel: Boom, 1985.
-
20 november 2009: Een groep van 7 kunstenaars vertrekt naar de Uithof. Na een architectonische introductie op de Uithof en een gesprek met een hersenonderzoeker buigen zij zich over nieuwe beelden van de Uithof. De Uithof is kunstmatig, een kunsthart, een maquette, de hersenen van de stad die ook op andere steden aangesloten zouden kunnen worden met een stekker, een klooster, een verboden gebied...
Met:
Bijdragen
Reacties (2)
Reacties (2)
Jochem
Rogier Brom: Reactie op Voetnoot I
Om maar meteen aan te haken bij de vragen die je stelt: de plaats van de dialoog is misschien wel een van de meest moeilijke punten in het hele verhaal. Het behouden van de publieke sfeer wordt bemoeilijkt door het feit dat kunst vaak op locaties wordt getoond die in zekere zin afgesloten zijn. Er wordt wel gesteld dat musea in principe een verlengstuk zijn van de publieke ruimte maar in de praktijk blijkt het een plaats waar een selecte groep mensen een dialoog voert. Als er überhaupt een dialoog gevoerd wordt. Toch is het opvallend dat wanneer kunstenaars in dialoog gaan, deze vaak plaats heeft in een culturele instelling, of dit nu in woord of beeld is. Dit betekent voor de bezoeker vaak een noodzaak tot aanmelden, reserveren of op zijn minst een erg fysieke drempel overgaan.
Hoe moet deze dialoog dan toch in de publieke sfeer blijven? Voor een antwoord wil ik eerst kijken naar de vorm van de dialoog. Hierbij vind ik jouw idee over de twee vormen van handelen zoals Habermas die omschrijft erg interessant. Deze kunnen misschien ook wel doorgevoerd worden in de vorm waarin de verschillende partijen in dialoog kunnen gaan. Omdat er onderling inderdaad veel ruimte leek voor kritiek en onderhandelen, is er misschien genoeg lef aanwezig om deze dialoog als ‘onaf product’ naar buiten te brengen. Waar het meestal een resultaat van dialoog of discussie is dat naar buiten gebracht wordt, kan in dit geval juist de dialoog an sich een presentatievorm zijn. Het zou hierbij interessant zijn als zo veel mogelijk verschillende manieren van communiceren (beeld, tekst, actie) gebruikt worden. Hierbij blijven de deelnemers aan de dialoog allemaal zo dicht mogelijk bij de manier van communiceren die voor hen het meest vertrouwd is. Elke partij heeft dan zelf belang bij het aanspreken van een zo groot mogelijke groep toehoorders om zijn of haar argument aan te horen. Wanneer bewoners van een stad op de hoogte raken van zo een dialoog doordat ze de sporen hiervan tegenkomen in hun eigen belevingswereld, raken ze sneller betrokken en creëer je een mate van openbaarheid.
Dit is een voorbeeld van hoe strategisch handelen ingezet kan worden om uiteindelijk toch een gezamenlijk doel te bereiken. Dit klinkt misschien paradoxaal maar in mijn ogen heeft de culturele wereld best baat bij het inzichtelijk(er) maken van het feit dat ze niet met antwoorden komt maar een discussie faciliteert die niet binnen deze culturele wereld besloten ligt.
Met de plaats voor de discussie kom ik bij je tweede vraag. Hoewel de dialoog idealiter uit mensen zelf komt, is een duwtje in de rug nooit weg. Vaak liggen ideeën wel in je hoofd besloten maar komt het gesprek dat je er over wilt voeren pas goed op gang met iemand die tegenover je zit. Een plek waar je aanwezigheid – en dus aandacht en tijdsbesteding – gebaseerd is op de culturele dialoog, noodzaakt je ook meer om tot productiviteit te komen. Hoewel er ondertussen uiteraard ook veel virtuele communities bestaan waarin prima vanuit discussie resultaat geboekt kan worden, denk ik dat het de productiviteit van Nieuwe Grond ten goede komt wanneer er naast een virtuele- ook een fysieke mogelijkheid tot samenkomen is. Als deze plek zich in de openbare ruimte bevindt – bijvoorbeeld in de vorm van een koffiehuisje – wint het hele project ook aan openbaar karakter.
Het probleem waar ik nog mee zit en dat jij ook al aanstipte, is de afzwakkende betrokkenheid. Wie heeft er voordeel bij Nieuwe Grond en is niet een van de betrokken partijen. Wanneer er bij het communicatief handelen wordt uitgegaan van de plannen om culturele hoofdstad te worden en de culturele humuslaag in Utrecht te versterken, is er dan ook nagedacht over draagvlak bij de partijen die hier niet in eerste instantie iets mee te maken hebben? Denk jij dat dit belangrijk is? Welk belang is het dat de betrokken partijen moet gaan stimuleren om zich in te blijven zetten? Voor wie doen we het eigenlijk?
Jochem Naafs: Reactie op reactie voetnoot II
Zoals je weet ben ik een groot voorstander van het delen van een proces. Ik vind het dan ook een interessant idee om dat ook in een dergelijke situatie te doen. De vraag is wel hoe je dit aantrekkelijk kan maken voor een breder publiek. Hoewel de inhoud in principe relevant is voor iedere inwoner van Utrecht is het maar de vraag of dit ook voor deze vorm geldt. Natuurlijk biedt het de mogelijkheid om deelnemer te worden van de dialoog over de (culturele) toekomst van de stad, maar denk je ook niet dat veel mensen liever (re)ageren op een concreet voorstel dan op een voorstel in wording?
Desalniettemin vind ik het een poging waard om serieus na te denken over een manier waarop de dialoog over de Utrechtse toekomst gepresenteerd kan worden in plaats van de potentiële toekomst zelf zoals dat bijvoorbeeld gebeurd bij Utrecht 2030. Echter blijft daarbij het probleem dat je terecht aankaart: hoe bereik je het publiek hiervoor? Hoe trek je publiek naar semipublieke plekken?
Ik denk dat een virtuele omgeving vergelijkbaar is met het museum. In theorie is het volledig openbaar en kan iedereen er terecht, maar in de praktijk blijkt ieder online forum een plek voor een select gezelschap. Er is denk ik wel één verschil en dat is dat er (hopelijk) wel een groter publiek is. Met dat publiek bedoel ik mensen die zich niet direct in de discussie mengen, maar wel meelezen. Daarnaast bereik je met een virtueel platform weer andere mensen dan in een museum.
Door de dialoog plaats te laten vinden in een algemeen toegankelijkere plek zou je dit probleem kunnen overkomen. Zelf vind ik een plek zoals bijvoorbeeld Cultureel dagcafé Kopi Susu een prettigere omgeving om de dialoog aan te gaan dan een witte kubus of een zwarte doos. Het probleem is wel dat daar veel minder mensen in kunnen. Waardoor je je vaak toch gedwongen voelt om een gesprek over beeldende kunst in een museum of galerie te voeren en een gesprek over podiumkunst in een theater. Het bijkomend voordeel van een gebrek aan ruimte is natuurlijk wel dat de dialoog persoonlijker is en directer wordt gevoerd. Dit kan wellicht ook de betrokkenheid vergroten van ‘de inwoner van Utrecht’?
Juist de combinatie van deze drie (semi)publieke ruimtes kan wellicht een breed publiek interesseren en activeren voor deze dialoog. Zijn overigens niet alle partijen betrokken bij Utrecht als culturele hoofdstad van Europa? Mochten er partijen zijn die dat niet worden, dan gaat er eigenlijk iets mis. Ik denk dat ‘de inwoner van Utrecht’ bij dit project betrokken moet zijn, al was het maar om alle andere partijen te stimuleren.