Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Reflectie: Jochem Naafs 2

Voetnoot II

Auteur Jochem Naafs

II Ik twijfel nog een beetje op welk punt ik in wil gaan voor mijn tweede voetnoot. In je laatste alinea ga in je in op twee punten die ik erg interessant vind. Ten eerste schrijf je dat Nieuwe Grond “als een front van makers die tegenwicht bieden aan de beleidsmakers en planners” ziet. In hoeverre is dat een positie waarin de kunstenaar zich wil en kan plaatsen? Aangezien ik dit onderwerp al aansnijd in de reactie op je voetnoot bij mijn tekst ga ik toch voor het tweede punt dat je aanstipt in je conclusie.

Dat tweede punt is dat “al de disciplines aanwezig waren om samen vanuit één idee te werken”. Ik betwijfel of dat laatste echt zo is. Zoals ik in mijn eerste voetnoot ook al schrijf, en jij zelf ook al aangeeft, spelen strategische belangen ook een rol. Volgens mij was deze eerste bijeenkomst eerder een moment waarop kunstenaars voor zichzelf konden testen of ze een dergelijke manier van werken bevalt. Nu dit weekend erop zit is het de vraag in hoeverre de kunstenaars enthousiast genoeg zijn om dit door te zetten. Vind jij het overigens ook niet vreemd, dat de kunstenaars gevraagd wordt vrijwillig te investeren in een dialoog die door anderen betaald wordt gevoerd?

Overigens vind ik het een goede ontwikkeling dat al deze verschillende disciplines samenkomen in een situatie zoals Vrede van Utrecht en Walter Maas Huis die neerzetten. Ik heb sterk het gevoel dat iedere discipline in Utrecht een eigen eilandje vormt. Nu ik dit opschrijf bedenk ik me ineens dat dit wellicht te maken heeft met de scheiding tussen de verschillende faculteiten van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Gelukkig zijn er steeds meer ideeën over interdisciplinaire opleidingen aan de HKU, samenwerking tussen HKU en de Universiteit Utrecht en zelfs van een groot interfacultair gebouw van de HKU aan de Ina Boudier Bakkerlaan. Een dergelijke geografische beperking dwingt kunstenaars in spe tot uitwisseling en wellicht tot samenwerking.

Door kunstenaars een duwtje in de rug te geven, zoals Nieuwe Grond doet en de HKU van plan is om te doen, kan een dialoog gestart of herstart worden. Een dialoog tussen jonge kunstenaars uit verschillende disciplines, maar ook een dialoog tussen deze kunstenaars en anderen. Tijdens het weekend van het symposium had ik nog niet echt het gevoel dat de aanwezigen het gevoel hadden dat ze de ander nodig hadden. Blijkbaar had jij dit wel, getuige je opmerking dat er “een gemeenschappelijke afhankelijkheid bestaat”. Mijn vraag aan jou is of je het idee hebt dat de aanwezigen op het symposium een noodzaak zagen in samenwerking tussen de jonge garde en de Oude Grond of slechts het nut van kennismaking?

  • nietsdoenisgeenoptie.jpg-

    "Niets doen is geen optie" is het motto van Utrecht als het gaat om de aanpak van het Stationsgebied. Uit: Stationsgebied Utrecht, Masterplan, Samenvatting, Gemeente Utrecht, juni 2005 Deze zin stemt tot nadenken en kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Beeldend kunstenaar Su Tomesen zou deze zin willen materialiseren tot lichtbakken op één van de daken van winkelcentrum Hoog Catharijne in het Stationsgebied.

Bijdragen 
Reacties (2)

Rogier Brom: Reactie op Voetnoot II

That’s what I say, it’s not what I mean - Feist
Wanneer je zegt dat je het betwijfelt dat de kunstenaars tijdens het symposium vanuit één idee werken, over welk idee heb je het dan precies? Wat ik met mijn opmerking wilde zeggen is dat de verschillende disciplines bij elkaar waren geplaatst om aan het doel van het symposium te werken: zoeken naar nieuwe beelden om Utrecht culturele hoofdstad te maken. Natuurlijk is het de vraag met welke motivaties de verschillende kunstenaars aanwezig waren – dat hebben we eerder al besproken – maar in eerste instantie zijn ze bij elkaar gebracht om vanuit één idee te werken. Bijna iedereen bleef bovendien terugkomen om te werken aan de opdrachten die vanuit dat idee waren opgesteld.

Maar wanneer je het weekend als testcase voor een interdisciplinair (of supradisciplinair) werkverband beschouwt, ben ik het met je eens dat het bleef bij een snuffelstageniveau. Dat duidelijk werd dat er een gemeenschappelijke afhankelijkheid bestond dicht ik dan ook niet toe aan het feit dat die sfeer er duidelijk heerste, het was eerder een pijnlijker soort van duidelijk worden. De betrokken partijen zeiden graag samen aan nieuwe mogelijkheden te bouwen, maar na het uitspreken van deze woorden bleef het vrij stil. Een kleine twee maanden na het symposium lijkt die stilte nog aan te houden.

Mijn vraag is dus wat de aanwezigen bedoelden met hun uitnodigende woorden? Bedoelden ze ook echt wat ze zeiden of wilden ze een positief beeld van zichzelf achterlaten en was het daarmee meer een vorm van dat strategische handelen waar we het eerder over hadden? Het leek in mijn ogen nog het meest op een oproep om met initiatief te komen. Daar ligt denk ik een probleem in de opzet van het symposium. Het opzetten van beelden is een vrij passieve en vrijblijvende onderneming. Het is net als jouw voorstel om kunststudenten uit verschillende disciplines geografisch bij elkaar te zetten. Doordat ze elkaar tegenkomen zouden ze een dialoog aan kunnen gaan. Maar zonder stimulans zou deze dialoog net zo goed kunnen verzanden in het uitwisselen van wetenswaardigheden over ieders discipline zonder daar consequenties aan te verbinden.

Als antwoord op de vraag waarmee je afsluit denk ik dus dat men in principe wel het nut van de ontmoeting zag, maar geen direct aangrijpingspunt om iets mee te doen. Hierdoor blijft de noodzaak afwezig. Hoe zie jij het gebeuren dat er een onderlinge afhankelijkheid gevormd wordt die mensen noodzaakt om vooruit te gaan? Welke stimulans stel jij voor?

,
21 apr 2010, 16:41

Jochem Naafs: Reactie op reactie voetnoot II

Ik wil slechts kort ingaan op je vraag over hoe ik het idee zag, aangezien deze vraag eerder berust op een misverstand tussen ons dan dat het ingaat op het onderwerp. Ik ben het met je eens dat de kunstenaars zijn samengebracht door Vrede van Utrecht en het Walter Maas Huis om te werken vanuit één bepaald thema, of zo je wilt, idee. Ik zet alleen mijn vraagtekens bij het idee dat dit ook de intentie was van alle kunstenaars om mee te werken aan dit project. Daarmee komen we terug bij het strategisch handelen wat we al eerder hebben besproken.

Ik wil deze reactie graag gebruiken om in te gaan op je laatste reactie op mijn hoofdtekst. Je gaat daar in op mijn opmerking over de waarde van kunst. Ik betoog zeker niet dat kunst ongrijpbaar is, of geen (markt)waarde zou kunnen hebben. Ik betoog wel dat de waarde van kunst pas achteraf bepaald wordt en niet vooraf verwacht moet worden. Kunst kan absoluut economische en/of sociale waarde hebben, heeft deze misschien zelfs altijd. Eigenlijk ben ik het daarin dus met je eens, alleen leg ik de nadruk in mijn tekst meer op het proces dan op het product. In het kader van Nieuwe Grond betekent dat investeren zonder verwachtingen, met de stille hoop, dat er ook sociaal en economisch voordeel inzit.

In je tekst spreek je, naar Matarasso en Landry, over een balans tussen “cultuur die bijdraagt aan een verhoogde kwaliteit van leven en cultuur die geïnstrumentaliseerd wordt om sociale en economische vitaliteit te stimuleren”. Ik denk dat je als gemeente wel kunt vragen aan een kunstenaar om geëngageerde kunst te maken, iedereen mag zich immers inzetten voor je stad, maar je kunt het niet eisen. Dit wordt in een interview met enkele cultuurwethouders in tijdschrift De Helling mooi verwoord: “hoezeer een [cultuur]wethouder zich er ook van bewust is dat cultuur bijdraagt aan het investeringsklimaat, het toerisme en de sociale samenhang, toch mag dat niet zijn doel zijn. Kunst is geen middel, maar een waarde in zichzelf” (Meijers 2007).i Aangezien dergelijke zaken wel een gevolg kunnen zijn van investering in kunst kun je als gemeente geëngageerde kunst wel stimuleren en initiatieven van kunstenaars zelf wel ondersteunen. Daarbij zouden overigens ook gelden uit sociale of economische zaken kunnen komen naar gelang de focus van een project.

Met betrekking tot je afsluitende vraag over de afwezige noodzaak kan ik slechts een twijfelachtige suggestie doen gebaseerd op mijn ervaring bij Choreoroam.ii Door de betrokken kunstenaars afspraken te laten maken over plaatsen en tijden waarop ontmoetingen plaatsvinden en deze niet geheel vrijwillig en vrijblijvend te laten zijn ontstond daar een verantwoordelijkheidsgevoel. Een combinatie van vrijheid en beperking in vorm en inhoud lijkt daarbij goed te werken.

Laten we hopen dat Nieuwe Grond verbindingen legt tussen de verschillende partijen door als de as in mijn hoofdtekst in ieder gaatje en kiertje van de stad neer te slaan. Laten we hopen dat deze groep jonge kunstenaars de tijd durft te nemen om te investeren en vooral dat anderen durven te beleggen in deze kunstenaars.

i Meijers, Erica. “Kunst mag geen middel zijn”. De Helling 2007, nr 4. www.dehelling.net/artikel/474/.
ii Choreoroam is een internationaal uitwisselingsproject georganiseerd door zes partners. 12 choreografen werken samen aan een individuele proces. Choreoroam staat in het teken van onderzoek, ontwikkeling en uitwisseling. Zie o.a. www.operaestate.it/choreoroam/index.php?lang=en.

,
21 apr 2010, 16:46
Reacties (2)